Bepaal samen met de netbeheerder wanneer het
aardgasnetwerk niet meer wordt vervangen en breng de duurzame alternatieven in kaart

In 2050 koken we elektrisch en verwarmen we woningen niet meer met behulp van aardgas. Dit is een van de concrete eindbeelden uit de Energieagenda van het kabinet. Het betekent dat op veel plekken afscheid wordt genomen van het huidige energiesysteem en dat we bij nieuwbouw nu al vaak en straks helemaal niet meer kiezen voor aardgas. De opgave is enorm. Zo’n 80 procent van de totale energievraag in de bebouwde omgeving betreft het verwarmen van gebouwen; dit gebeurt nu voor ruim 90 procent nog met aardgas.

In veel wijken is het aardgasnetwerk langzamerhand aan vervanging toe. Het is van groot belang dat de gemeente vroegtijdig met de netbeheerder om tafel gaat om te bepalen in welke wijken het aardgasnetwerk nog wel, en in welke wijken het netwerk niet meer wordt vervangen. Door dat vast te leggen in de Omgevingsvisie wordt een duidelijke stip op de horizon gezet en weten alle betrokkenen waar ze aan toe zijn. In de Green Deal Aardgasvrije wijken gaan dertig gemeenten aan de slag met het realiseren van een eerste aardgasvrije wijk.

In wijken waar het aardgasnetwerk niet meer wordt vervangen, is een andere manier van verwarmen nodig. En uiteindelijk geldt dat voor alle wijken, ook waar het gasnet niet voor 2050 hoeft te worden vervangen: alle wijken en woningen moeten van een duurzame warmtevoorziening worden voorzien. De drie belangrijkste oplossingen zijn: groen gas, een duurzame warmtebron of ‘all-electric’. Bij elke variant hoort een andere infrastructuur. Welke oplossing het meest geschikt is, hangt af van de lokale situatie. Wijken met rijtjeshuizen uit de jaren ’50 tot ’80 zijn bijvoorbeeld zeer geschikt voor een all-electric oplossing zoals Nul op de Meter. Voor wijken die in de buurt van stadsverwarming of een duurzame warmtebron liggen, is aansluiting op een warmtenet wellicht de beste optie.

De mogelijkheden voor alternatieve energievoorzieningen zijn sterk regio-afhankelijk. Daarom is het van belang dat het energiebeleid op landelijk, regionaal en lokaal niveau samenhangt. Dit vraagt goede samenwerking tussen afdelingen binnen een gemeente én met andere partners, om de meest geschikte alternatieven te bepalen en onnodige kosten te voorkomen. Niet tijdig afstemmen kan bijvoorbeeld onnodige, kostbare investeringen in gas- of elektriciteitsnetten veroorzaken.

Stem als gemeente uw beleid met de volgende partijen af:

  1. Rijk. Het Rijk brengt een Nationale Omgevingsvisie (NOVI) uit. Daarin wordt een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving als een van de vier strategische opgaven genoemd. Bij algemene maatregel van bestuur (amvb) kan het Rijk instructieregels opleggen aan gemeenten en provincies. Daarnaast werkt het Rijk momenteel aan de uitwerking van de Energieagenda.
  2. Provincies en regionale energiestrategieën. Provincies zijn verplicht een Provinciale Omgevingsvisie op te stellen. Via een provinciale omgevingsverordening kan de provincie instructieregels opleggen aan de gemeente. Daarnaast wordt nu in zeven pilotregio’s door gemeenten aan een samenhangende regionale energiestrategie gewerkt.
  3. Netbeheerder. De netbeheerder is een belangrijke stakeholder én kennispartner bij het in kaart brengen van energiescenario’s. De netbeheerder kent de consequenties van verschillende scenario’s. Voor hem is het van belang om te weten wat er in de toekomst van het energienet wordt gevraagd, zodat hij daarop kan anticiperen.
  4. Lokale stakeholders, zoals woningbouwcorporaties, bedrijven en inwoners:
  1. Bedrijven zijn energievragers, maar kunnen soms ook in een deel van de warmtevraag voorzien door (duurzame) restwarmte te leveren, bijvoorbeeld aan woningen. Ook dragen zij in belangrijke mate bij aan oplossingen voor de energietransitie.
  2. Woningcorporaties kunnen door tijdige afstemming in hun planning en vastgoedopgave rekening houden met een nieuw energiesysteem.
  3. Inwoners moeten vroegtijdig worden geïnformeerd over veranderingen, zoals de (gedeeltelijke) uitfasering van het aardgasnetwerk, en de kans krijgen om mee te denken over de keuze voor een nieuw systeem. Ook moeten zij geïnformeerd worden over noodzakelijke energiebesparingsmaatregelen. Als bewoners zich medeverantwoordelijk voelen voor de energietransitie, zal de bereidheid groeien om daaraan mee te werken.

Benut de instrumenten uit de Omgevingswet als volgt:

Gebruik de Omgevingsvisie:

  • om een stip op de horizon te zetten: wanneer wilt u als gemeente energieneutraal zijn?
  • om landelijke en regionale energiestrategieën en instructieregels door te vertalen naar gemeentelijk beleid;
  • om vast te leggen wanneer wijken overgaan op een duurzame energievoorziening.

Gebruik het Omgevingsplan:

  • om vast te leggen dat wijken vanaf een bepaalde datum geen gasaansluiting meer hebben. Dit kan alleen als de aansluitplicht voor bestaande woningen uit de Gaswet is vervangen door een breder aansluitrecht, zoals in de Energieagenda is beschreven. Daarnaast moet aan een paar voorwaarden zijn voldaan: er moet een volwaardig alternatief zijn voor de wijk én inwoners mogen hierdoor financieel niet onevenredig zwaar worden getroffen. Dit betekent bijvoorbeeld dat de gemeente financiële instrumenten beschikbaar stelt om de energiemaatregelen voor inwoners mogelijk te maken;
  • om vast te leggen welke eisen u als gemeente stelt aan nieuwbouw, bijvoorbeeld Nul op de Meter (NOM).

Gebruik het Programma:

  • om aan te geven welke stappen en middelen in welk tempo worden ingezet om de lokale energietransitie te realiseren.